De bouw van de Oosterscheldekering

De stormvloedkering in de Oosterschelde was zo’n grootschalig en specialistisch project dat bij de bouw ervan een geheel nieuwe aanpak nodig was. De zeebodem moest geschikt worden gemaakt om als stabiele ondergrond te fungeren voor het enorme bouwwerk. Ook was het een secure klus om ervoor te zorgen dat de 62 stalen schuiven soepel konden bewegen tussen de 65 betonnen pijlers.

Bouwcombinatie

Speciaal voor dit project werd een aparte combinatie van grote Nederlandse aannemers gevormd, de Oosterschelde Stormvloedkering Bouwcombinatie. Tijdens de bouw werden uiterst geavanceerde methodes en middelen gebruikt.

Werkeilanden

In het kader van de oorspronkelijke plannen om een dam te bouwen, waren de ondiepe gedeelten in de Oosterscheldemonding al vanaf begin jaren zeventig opgehoogd tot werkeilanden (de Neeltje Jans en Noordland). De meeste onderdelen van de kering, zoals de pijlers, de dorpelbalken en de funderingsmatten, werden daar gebouwd, en pas later naar hun plek getransporteerd.

De ondergrond

Om de kering een stevige ondergrond te geven, werd slib weggebaggerd van de zeebodem en vervangen door zand. Met een speciaal gebouwd ‘verdichtingschip’ werden vier enorme stalen trilpijpen in de bodem gestoken die de zandkorrels tot op vijftien meter diepte dicht opeen trilden.

Een tapijt in zee

Bovenop de stevige zandlaag werden kunststof matten gelegd, gevuld met zand en grind. Dit was om te voorkomen dat zandkorrels onder de pijlers zouden wegspoelen, en om ervoor te zorgen dat de pijlers op een zo egaal mogelijke ondergrond op de Oosterscheldebodem konden staan. Zo kwam er dwars door de Oosterscheldemonding, over een stuk zeebodem van 200 meter breed, een vlak tapijt te liggen waarop de pijlers geplaatst konden worden.

Plaatsing van de pijlers

De bouw van één pijler duurde bijna anderhalf jaar. Om de twee weken werd aan een nieuwe pijler begonnen. Toen alle pijlers af waren liet men het bouwdok vol met water lopen. Twee schepen zorgden ervoor dat de pijlers op de juiste plek kwamen te staan. Het schip ‘Ostrea’ sleepte de gigantische pijler uit het bouwdok en voer er mee naar de ponton ‘Macoma’ in de stroomgeul, waar de pijler tot op enkele centimeters nauwkeurig op de matten werd geplaatst.

De ruimte tussen de pijlervoet en de funderingsmatten werd gevuld met een mengsel van zand, cement en water om de pijlers volledig op de fundering te laten aansluiten. Vervolgens werd het onderste deel van de holle pijler gevuld met zand, en werd de pijlervoet ingepakt in een drempel van brokken natuursteen.

Afbouwen van de kering

De laatste fase van de bouw bestond uit het aanbrengen van de verkeerskokers, de hamerstukken op de pijlers, de schuiven, de dorpelbalken en de bovenbalken. De stalen schuiven van de stormvloedkering werden aan de hamerstukken tussen de pijlers gehangen. De holle betonnen verkeerskokers werden op de pijlers gelegd. Later zou daar de weg overheen komen. Binnen de kokers werd de aandrijvings- en bedieningsapparatuur voor de schuiven opgesteld.Op 4 oktober 1986 werd de kering officieel geopend door koningin Beatrix.